index

Een Verhaaltje van de Musi River

mei 2000


***

Dit is de 5e achtereenvolgende dag dat ik geen auto gezien heb en ook de 5e dag dat ik overdag op de rivier doorbreng. 's Nachts slaap ik op het loodsenstation, we zijn daar niet zo ver vandaan aan het peilen. De levens- en werkomstandigheden mag je wel primitief noemen, da's niet overdreven. De schuit waarmee we peilen, is een houten boot met een dieselmotor. De hele boot schudt en trilt en dat zou je niet willen geloven met het lage toerental. Tuf-tuf dus. Of beng-beng, dat lijkt er meer op. En er is ook toet-toet, want alle instructies naar de machinist, die naast de motor zit onderin, gaan via een claxon. Als die dus slaapt, dan lopen we het reële risiko om in volle vaart tegen een steiger of een ander schip te botsen. Maar de claxon is nogal luid en de machinist heeft nog steeds alle toeter-instrukties feilloos opgevolgd.

De enige plek waar je kunt staan op de boot, is een uitsparing bij het roer. Voor de rest is de werk- en leefruimte een 1 meter hoge kruipruimte. Helemaal achterop is nog een achterdekje, maar die is volledig opgevuld met 6 vaten dieselolie. Normaal zitten, in een stoel of in ieder geval lekker met je beentjes bungelend, is er niet bij en je kunt je voorstellen dat het zitten op de plankenvloer, met het hevige schudden en trillen, niet luxueus is. Vandaar dat ik zei 'primitieve' werkomstandigheden. De leefomstandigheden op het loodsenstation zijn even primitief, maar dat is een ander verhaal. Nu zit ik op de boot te schrijven en ik moet eerlijk zeggen dat dat komt omdat ik niks anders te doen heb. Ik heb niets meer te lezen en slapen doe ik al meer dan genoeg. En werken? Ach, wat is werken? Ik moet er op toezien dat deze peiling betrouwbaar wordt uitgevoerd en voor HAM en Boskalis acceptabel is. En dat oogje houd ik best wel in het zeil. Mijn aanwezigheid alleen al is ook al een beetje een waarborg dat het werk serieus wordt gedaan.

Als enige buitenlander aan boord (en waarschijnlijk binnen een straal van 80 kilometer) ben ik een vreemde eend in de bijt. Die situatie werkt over en weer nog niet helemaal soepel en dat komt vooral omdat er een taalbarriëre is. Niemand spreekt Engels en ik spreek geen Indonesisch. Maar de sfeer is heel vriendelijk en heel goed te noemen. We zitten met 10 man aan boord. Kus is de chief surveyor, een stille magere man van rond de 50 en hij heeft de nodige ervaring op het gebied van hydrografisch werk. Dit is voor hem de zoveelste keer een survey op de Musi River. Ekko is de man die het computerprogramma beheerst en in aktie komt als er een nieuwe set raaien moet worden ingevoerd. Dan zijn er nog 4 aardige snuiters, waarbij van 2 mij niet duidelijk is of ze bij de bemanning of bij het survey team horen. Dan is er een Jan-met-de-pet, een figuur die wel aardig hoog in de rangorde zit, maar waarvan ik niet weet wat hij aan boord doet. Misschien hoort hij niet bij het survey team en niet bij de bemanning, net als ik. Het enige duidelijke aan hem is dat hij altijd een pet op heeft. Dan is er de bolle, goedlachse schipper van de boot. Die staat overigens nooit aan het roer, want dat doen Kus, Ekko, Jan-met-de-pet of ik. Dat is werk voor surveyors, het lijnen varen is het enige stukje vakmanschap wat overgebleven is in de hydrografie. En daarmee geef ik ook aan dat ik mezelf aan een baantje geholpen heb: ik bestuur soms de boot en geef ook tuut-tuut instructies aan de machinist. Oh, ja! de machinist, die is er ook nog. Maar die zie je nauwelijks. Af en toe komt hij met zijn hoekige en magere gezicht met een eeuwige kromme sigaret daarin, even boven water. Verder zit hij altijd trouw op zijn stekkie naast de motor, op tuutjes te wachten.

De schipper en het jongste maatje zorgen ook voor de catering. Het koken gebeurt vlak bij de motor, dus misschien doet de machinist daar ook aan mee. Wat op tafel komt is heerlijk als je honger hebt. En aangezien het loodsenstation ook geen driesterrenhotel is, heb ik doorgaans wel honger. Aan boord eten we mie en rijst met droge vis en ei. Daar gaat sambal en ketjap overheen en het is iedere dag hetzelfde. Het ontbijt en het avondeten aan de wal is eigenlijk ook precies datzelfde, maar de schipper (of de machinist?) weet er op een geheimzinnige manier toch een heel smakelijk aroma aan te geven. Mijn lotgenoten aan boord vinden het amusant dat ik me helemaal aanpas aan hun manier van leven. Maar heb ik een andere keus? Ik ben nog niet zover dat ik m'n rijst met de vingers opeet, maar daar doe ik mijn best ook niet voor. Er is een vork aan boord. Wel heb ik mij aangepast om, zodra je daar de behoefte toe voelt, languit te gaan liggen slapen, midden op de werkvloer. Een hele prettige gewoonte, vind ik, want met die trillende houten zitvloer is liggen nog de meest aangename houding voor mij. Na de eerste dag heb ik een kussentje meegenomen uit het bivak op het loodsenstation.

En zo schudden en tuffen we maar voort. Heen en weer, heen en weer, we varen lijnen dwars over de rivier. Door de sterke stroom wijst de boeg van de boot steeds schuin stroomopwaarts, zodat we eigenlijk aan het zigzaggen zijn. We maken hele grote produkties. Om 5 uur is het opstaan en om 6 uur wordt er gewerkt, tot 's avonds 6 of 7 of 8. De eerste drie dagen waren we op zee, voor de monding van de rivier. Nu zijn we op de rivier zelf en dat biedt wat meer afwisseling met de bootjes die langs komen. De oever is aan beide kanten dezelfde eentonige groene jungle, geen huisje of steiger te bekennen. Er is hier wel een dorp in de buurt. Het heet Sungsang en het is helemaal gebouwd op palen. Toen ik er eergister ben geweest, heb ik met verbazing gezien dat het dorp veel groter is dan het rijtje huizen langs de oever die je vanaf het water ziet. Er zijn winkels, moskeeën, scholen, alles van hout en op palen. De straten zijn gemaakt van planken, op lange steigers tussen de bebouwing. Onder de planken zag ik wat mangrove en modder en ik vermoed dat het met ieder hoogwater onder water staat. Zo niet, dan lijkt mij dat het dorp zou vergaan boven z'n eigen stank, want riolering is er niet en van een vuilnisophaaldienst hebben ze vast ook niet gehoord. Laat geen muntje rollen of iets anders uit je zak vallen in Sungsang, want je ziet het gegarandeerd voor eeuwig tussen de planken verdwijnen.

Er is nog een persoon die bij de groep hoort en dat is Soeharto, een agent van de kustwacht. Die is aan het surveyteam toegevoegd voor onze veiligheid. Dat is geen sinecure in een land, dat bekend staat als no. 1 in de zeepiraterij en overigens ook niet zo veilig is. Soeharto ziet er best wel indrukwekkend uit met z'n uniform en z'n pistool. Hij blijft overdag op het loodsenstation en daarmee wordt zijn functie voor mij toch weer onduidelijk: dreigde het meeste gevaar toch niet juist op het water? Toch ben ik blij met Soeharto, omdat ie 's nachts op enkele meters afstand van mij slaapt. En natuurlijk ben ik blij dat hij overdag mijn spulletjes in de gaten kan houden. Soeharto is een hele vriendelijke vent, met een scherpe blik in zijn ogen. In zijn ernstige gezicht is af te lezen dat hij zich iedere seconde bewust is van zijn semi-militaire taak. Hij doet zich voor als mijn persoonlijke body guard en misschien heeft hij die opdracht ook wel gekregen. Ik kan geen stap verzetten of Soeharto heeft me in de peiling. "Mr. Jan shower?" als hij vindt dat ik er bezweet uitzie, "Mr. Jan makan?" als hij vermoedt dat ik honger heb, "Mr. Jan sleep sleep?" als hij vindt dat het laat genoeg is. 'Mr. Jan privacy' is er niet bij; hij moet alles zien wat ik doe en zit soms met open mond naar het beeldscherm te staren als ik 's avonds achter m'n laptop computer zit. Als ik iets laat vallen, zie ik al gauw het ronde, vriendelijke, bezorgde gezicht van Soeharto om de hoek verschijnen, controlerend of alles nog in orde is met mij. Als ik over 3 dagen volgens plan een dagje naar Palembang ga (ook om deze mail te posten), gaat Soeharto ook mee. Gouden vent, die Soeharto.

index